Isomorfisme

(Gr. isos = gelijk; morfè = vorm). Wiskundig begrip, dat in diverse wetenschappen overgenomen werd en ook in de literatuurwetenschap wordt gehanteerd. Oorspronkelijk duidt isomorfisme een bijzonder verband aan tussen twee of meer verzamelingen, groepen of systemen: elk element van de ene verzameling staat in relatie tot telkens één element van de andere verzameling, waarbij bovendien alle interne relaties tussen de elementen van de ene verzameling ook weerspiegeld worden door interne relaties tussen de overeenkomstige elementen van de andere verzameling. Het gaat m.a.w. om de één-op-éénovereenkomst tussen gelijkgestructureerde systemen. Men onderscheidt in de wiskunde trouwens ook zwakkere vormen van isomorfisme (soms spreekt men dan van ‘isomorfie’) waarbij de verzamelingen ook elementen bevatten die niet aan de gestelde eisen voldoen. In overdrachtelijke zin blijkt het isomorfismebegrip nuttig te zijn in de literatuurwetenschap, met name bij de vergelijking van teksten (comparatisme*): vergelijkend onderzoek van vertalingen, motievenstudie, interartistieke analyses, enz. Het impliceert nl. dat men bij de confrontatie van twee verschillende tekststructuren geen losse, individuele tekstelementen met elkaar moet vergelijken, maar veeleer de tekstelementen zoals ze functioneren binnen de respectieve globale tekststructuren (zie ook Teksteem, tekstemische analyse ).

Literatuur: B. Uspenskij, ‘Structural Isomorphism of Verbal and Visual Art’ in A Poetics of Composition, 1973, pp. 130-167. M. van Helleputte (red.), Isomorfieën in kunst en literatuur, 1990.