Idioom

(Gr. bijzonder kenmerk, unieke eigenschap < idios = eigen, persoonlijk). 1. Algemene benaming voor het taaleigen, d.w.z. het specifieke soort taalgebruik van een individu (idiolect: het idioom van Gezelle), een geografisch bepaalde groep (dialect: het Brabantse idioom), of een sociale groep (sociolect). Zo wordt ook de specifieke taalbehandeling bij een generatie of stroming auteurs als idioom aangeduid (bv. het idioom van de Vijftigers). In nog ruimere zin wordt idiomatisch gebruikt als kwalificatie voor een ‘grammaticale’ of welgevormde uiting, d.i. een uiting die gemaakt is volgens de regels en normen die de gebruikte (algemene) taal eigen zijn.

2. In de taalwetenschap en stilistiek is een idioom of idiomatische uitdrukking een vaste groep woorden waarvan de betekenis, anders dan bij een gewone collocatie, niet zonder meer kan worden afgeleid vanuit de samenstellende delen. Dat komt omdat idiomen doorgaans berusten op een verbleekte metafoor (lexicalisering); ze kunnen trouwens een clichématig (sien cliché) karakter krijgen. Vaak voorkomende types zijn samenstellingen (‘winterkoninkje’), adjectief-substantiefverbindingen (‘heet hangijzer’), onomkeerbare paren (‘met haken en ogen’), en werkwoordelijke uitdrukkingen als ‘de strijdbijl opgraven’, ‘om het hoekje gaan’, enz. Idiomen hebben de status van lexicaal element. Zo behoort ‘om het hoekje gaan’ in zijn geheel tot hetzelfde paradigma als ‘sterven’, ‘doodgaan’, enz. Anders dan bv.gnomische vormen zijn idiomen dus geen zelfstandige of volledige uitdrukkingen op zich. Ze lenen zich vaak niet tot letterlijke vertaling en behoren aldus tot het eigene van een taal.